dinsdag 15 januari 2013

Dag

Je bent er niet meer.

Ik heb je nooit gekend, dus voor mij is het eigenlijk alsof je er nooit geweest bent. Maar dat is nog veel erger en wens ik je niet toe. Ik stel me voor dat we elkaar in de gangen zijn tegengekomen. Misschien heb ik wel een computer in de studiezaal van je overgenomen, of jij één van mij. Wie weet wachtte je achter mij in de rij voor het kopieerapparaat. Of hebben we samen gedanst op het studieverenigingsfeest.

Je hoorde tot een ander soort, zou ik kunnen denken, maar dat denk ik niet: mijn buik doet pijn en mijn ogen glanzen.

Door je hoofd, wat ging er door je hoofd.

Ik wou dat er voor jou iemand geweest was, die voor jou om hulp gevraagd had. Iemand die voet bij stuk gehouden had, dat je hulp nodig had. Hulp is niet zo kwaad. Hulp is ook een arm om je heen. Hulp is samen huilen.

Ik wou dat ik tijd had gehad je beter te leren kennen. Dat ik je verhalen kon vertellen, misschien zelfs vertellen over anderen. Dat je niet alleen ben, dat je niet ziek bent. Dat er zelfs dokters-to-be in witte jassen zijn, die dezelfde nare gedachten denken. Dat dat okee is, al voelt het allesbehalve okee. Verrot, zo voelt het. Dat het niet zo verrot hoeft af te lopen.
Soms vraag ik me echt af of er inderdaad onoplosbare problemen bestaan.
Het spijt me heb je geschreven. - Nee, het spijt mij.

8 opmerkingen:

  1. Zo naar als je zoiets hoort... Maarja, sommige mensen krijgen alle hulp die men maar geven kan en dan gaat het nog niet. Voor jou en mij zijn er wellicht geen onoplosbare problemen, maar die mensen zitten helaas anders in elkaar.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Wat een ontzettend triest verhaal, maar wat heb je dat ontzettend mooi beschreven. Ik ben er helemaal stil van.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Wat schrijf je mooi - zelfs (of misschien juist) over dit soort moeilijke onderwerpen.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Oh jeetje, mijn hart doet hier zeer van.

    BeantwoordenVerwijderen