zaterdag 12 januari 2013

De papegaai ontbrak

Napels, juni 2012

15:00 uur. Eindelijk, de witte jas mag uit. Mijn nette, zwarte kleding eronder plakt aan mijn lijf, maar ik heb het gered: mijn eerste dag in het ziekenhuis zit erop. Ik ben doodop, tijd voor siësta.

Alleen één probleempje. Hoe kom ik thuis? Vanochtend kreeg ik een lift van een verpleegkundige, maar zij is nu al weg - en ik weet alleen nog maar mijn straatnaam, ik ben pas gisteren hier aangekomen. "Vanmiddag moet je niet zo lopen als ik nu met de auto rijd hè" waarschuwde ze nog.

Weet je wat, ik vraag de ziekenhuisportier wel even - maar die schudt zijn hoofd bij het horen van mijn Via. Achter me staan drie dames te dringen om zijn aandacht. "Waar is de cardiologie-afdeling!" roept de één gefrustreerd.
"De couveuses, zijn die op de derde?" vraagt de tweede en ze klopt op het raampje om haar woorden kracht bij te zetten.
Laat maar, denk ik. Ik vind het zelf wel, zo moeilijk was het niet.

Buiten brandt de zon. Het ziekenhuis ligt langs een semi-snelweg en de uitlaatgassen maken het extra warm. Bij de stoplichten staan twee Afrikaanse jongens, die autoraampjes schoonmaken en de chauffeurs om geld vragen. Naar links moet ik, had Rosa gezegd, maar als ik dat doe kom ik op een soort industrieterrein voor auto's. Monteurs rollen autobanden naar binnen en kijken me vreemd aan.
Toch maar naar rechts dan. Ik kan ook een blokje lopen natuurlijk.

De voorbijrazende auto's daargelaten is dit het meest verlaten stuk stad waar ik ooit heb gelopen. Aan beide zijden van de weg zijn enorme stukken land, voornamelijk met door de zon verbrand gras en afvalbergen. In de verte zie ik aan alle kanten de flatgebouwen. Le case grighe e blu - de achterstandswijken. Precies in zo'n gebouw woon ik sinds gisteren en naar zo'n flat ben ik nu op zoek.

Na ruim twintig minuten lopen ben ik nog steeds niet in de buurt, maar de flats lijken wel dichterbij te komen en de richting is nu in ieder geval goed, zoveel kan ik opmaken uit de bordjes. Maar ik ben nog steeds de enige die loopt. De warme juniwind blaast straatafval tot kleine plastic tornado's. Om de zoveel meter staat een jongen met een paaltje met daarop pakjes sigaretten uitgestald. Zo'n paaltje waar je eigenlijk een papegaai op zou laten zitten. Maar dan dus pakjes sigaretten met Russische teksten. Bij de laatste jongen van de rij waag ik een poging en spreek hem aan. Zijn ogen staan zo glazig als pure vasaline.
"Ik ben niet van hier" zegt hij, terwijl hij traag zijn schouders ophaalt.
Ik zeg mijn Italiaanse versie van Kthxbye - die kan ik inmiddels best snel - en loop een paar stappen verder. Welke richting moet ik nu kiezen op dit kruispunt?

Aan mijn linkerhand staan nóg drie jongens. Ik had ze willen negeren, eigenlijk. Ze hebben hun bovenlijf bloot en hoewel dat heus niet lelijk is, is dat hier zó ongebruikelijk dat ik weet dat er iets niet goed moet zijn. De ene wiebelt van voor naar achter op een motor alsof het een hobbelpaard is. Zo nu en dan laat hij de motor een knallend geluid maken. De andere rekt zich nog eens uit en plaatst de pakjes sigaretten wat netter op de standaard. De jongens staan alledrie in de brandende zon, maar boven de sigarettenstandaard staat een parasol.

Het zal vast niet om de sigaretten gaan. Come on, zeg ik tegen mezelf, het is Italië, gewoon blind voor zijn en de weg vragen!
"Ik wist wel dat je naar mij toe zou komen" grijnst de jongen op de motor. Een beetje als een vos. Héél onaantrekkelijk, opeens.
"Haha, ja" lach ik meegaand.  Ik heb het inmiddels zo warm dat ik het gevoel heb dat ik smelt - en voor een flesje water zou ik een moord doen... kortom, ik wil naar huis om wat te drinken te pakken, want iets kopen in de siësta gaat niet (en voor de veiligheid heb ik ook geen geld bij me). 
"Dus, hoe kom ik bij de Via Bronzi?"  Geen idee, daar hebben ze nog nooit van gehoord. Gelukkig heb ik onder het lopen wat herkenningspunten bedacht en begin te omschrijven.
"Ahh" knikt de brutaalste jongen "Da's echt supermoeilijk uit te leggen en het is ook nog héél ver"
"Leg toch maar uit?" vraag ik, zo lief als ik nog op kan brengen
"Ja, eigenlijk volg je gewoon de autoweg hier naar boven... Maar het is echt te ver joh. Ik breng je wel met de motor!"
"Nee nee, dat hoeft niet. Ik kan best lopen."
"Tuurlijk kun je lopen, maar het is nog ver"

Ik ben de straat nog niet overgestoken of de jongen springt op zijn motor. Rijdt achter me aan.
"Kom op, ik breng je wel!"
"Ga gewoon achterop zitten" vervolgt hij, als ik vriendelijk mijn hoofd schudt.
Hij rijdt nog een stukje mee, maar als hij mijn vastberadenheid merkt keert hij om.
"Kom je nog een keertje langs?"
"Doe ik" beloof-lieg ik, en ik zwaai hem opgelucht uit.

Thuis, twintig minuten later, stroop ik de kleding van me af.
"Wáár heb je precies gelopen?" vraagt de dochter van mijn huisbaas.
"Geloof me, dat moet je echt niet meer doen."


Voor wie een indruk wil krijgen (en daarvoor hoef je de twee gesproken zinnetjes niet te begrijpen): I veleni di Napoli Est (Het vergif van Oost-Napels)

2 opmerkingen:

  1. Dus je had toch naar links gemoeten?
    Het is een mooi verhaal, zo achteraf. Ik ben blij dat het goed is afgelopen ;)

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Klopt! Ik ben daarna altijd naar links gegaan ;-)

      Verwijderen